
(voor P., C., M.)
Met een zucht gaat de stad liggen onder het goudrode bladerbed
beschut tegen regen, klaar voor winterslaap. De snerpende wind
snijdt het zoveelste seizoen uit de kalender, wat nu komt is min
of meer hetzelfde als een jaar geleden, maar dan verder, waar
alles anders is
Alleen weet ze nog niet zeker hoe
maar angst is er om te bezweren
In de nieuwe straat sluit een ruit, een krakende kier verklapt
nog net de geur van warme appelen met kaneel, vanille en
chocolademelk. Onder de gloed van de lamp hoor je mensen
lachen, met veel gebaren vertellen ze weidse verhalen, delen
ze de wereld, verbreden ze de taal.
Dit was het, denkt ze, zo moest het,
hier en nu, en niet anders of elders (meer…)